🐚

Het Inktkannonnetje

een verhaal uit de baai van Blauwhaven
〜〜〜

In de baai van Blauwhaven, waar het water zo helder is dat je de bodem kunt tellen, leefden de inktkannonnetjes. Niemand wist precies waar ze vandaan kwamen. De oude vissers zeiden dat ze ooit uit de lucht waren gevallen, als blauwe regendruppels die te eigenwijs waren om gewoon water te worden.

Een inktkannonnetje is niet groter dan een vuist. Het zit in een gedraaide schelp, glad en parelmoer aan de binnenkant, ruw als puimsteen aan de buitenkant. De schelp is geen huis. De schelp is een kanon.

Wanneer het beestje wil bewegen, zuigt het water naar binnen, spant zijn hele lijfje samen tot een veer van spieren, en dan, met een knal die klinkt als een kurk uit een fles, schiet het zichzelf de lucht in. Tien meter, soms vijftien. Het tuimelt door de zon, een fonkelend blauw stipje, en plonst weer terug. Daarom heten ze zo. Kleine kanonnen vol inkt.

En die inkt, dat is het hele punt.

Waarom mensen ze fokken

Het bloed van een inktkannonnetje is niet rood maar helderblauw. Niet het saaie blauw van een spijkerbroek, maar het blauw dat je ziet als je 's ochtends vroeg in een gletsjerspleet kijkt. Het licht lijkt er vanbinnen uit te komen.

Schrijvers betaalden er goud voor. Een brief geschreven met inktkannonneninkt vervaagde nooit. Schilders mengden er een druppel doorheen en hun luchten gingen gloeien. En de kaartenmakers, die hadden het 't hardst nodig, want zee getekend met deze inkt liet altijd zien waar het echte water diep was en waar ondiep, alsof de inkt zich herinnerde uit welke baai hij kwam.

Dus bouwden de mensen van Blauwhaven kweekvijvers. Ronde bassins van blauwe steen, met gladde randen zodat de kannonnetjes zich niet konden lanceren en ontsnappen. Twee keer per maand kwam de inktmeester langs met een zacht netje en een koperen kommetje, en hij oogstte één druppel per beestje. Nooit meer. Een goede inktmeester wist dat een leeggemolken kannonnetje grijs werd en zijn knal verloor.

Pim

Het kleinste kannonnetje van vijver zeven heette Pim. Tenminste, zo noemde de dochter van de inktmeester hem, Fenna, acht jaar oud en altijd te laat voor het eten omdat ze bij de vijver zat.

Pim kon niet ver schieten. Waar de andere kannonnetjes vijftien meter haalden, kwam Pim tot drie, soms vier op een goede dag. De inktmeester schudde zijn hoofd. Een kannonnetje dat niet kon springen, dat was een kannonnetje dat zijn inkt niet ververste, en oude inkt werd dof.

"Die gaat terug naar zee," zei hij op een avond. "Geen waarde voor mij."

Fenna zei niets. Maar de volgende ochtend was de vijver leeg, op één grijzig schelpje na dat in de hoek lag te wachten.

Wat Fenna deed

Ze nam Pim mee in haar twee handen, helemaal naar de rotsen aan de monding van de baai. Daar, waar het zoete water van de rivier het zoute van de zee ontmoette, zette ze hem neer in een poel.

"Spring," zei ze. "Niet voor hem. Voor jezelf."

En misschien is dat het geheim dat de inktmeester nooit had begrepen. Een kannonnetje in een steenvijver springt omdat het moet. Een kannonnetje in de echte zee springt omdat het kan.

Pim zoog water naar binnen, meer dan ooit, want hier was het water levend en koud en vol stroming. Hij spande zich. En hij knalde de lucht in, hoger dan Fenna ooit een kannonnetje had zien gaan, een blauwe komeet tegen de ochtendzon, en bij het hoogste punt leek hij heel even gewoon stil te hangen, alsof hij besloot of hij terug zou komen.

Hij kwam terug. Pal in de poel. En toen hij weer bovenkwam, was zijn blauw niet meer dof maar feller dan alle inkt in alle kommetjes van Blauwhaven samen.

Wat ervan kwam

Fenna vertelde het nooit aan haar vader. Maar elk jaar in het voorjaar, als de stroming het sterkst was, zwommen er bij de monding van de baai duizenden inktkannonnetjes voorbij, op weg naar plekken die niemand kende. En één van hen, zeiden de vissers, sprong altijd net iets hoger dan de rest.

Ze noemden hem de Komeet. Maar Fenna wist wel beter.

✦ ✦ ✦